NL: klievenSynoniemen: uiteensplijten, kloven, doorklieven, doorhouwen, doorhakken, splitsen, splijten
DE: klieven (in tweeën houwen): streichen, schlagen, spalten, bersten, durchschneiden, spleißen, splissen, durchhauen
EN: klieven (in tweeën houwen): hew through, cut, cleave
ES: klieven (in tweeën houwen): cortar, partir, atravesar, cruzar, rajar, surcar, escindir, hender, hendir, fisionar, hendirse
FR: klieven (in tweeën houwen): cliver, trancher, fissurer, couper, fendre, se fendre, lézarder, fendiller, crevasser, se fendiller, se cliver
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekliefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik klief jij klieft hij klieft wij klieven jullie klieven zij klieven
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekliefd jij hebt gekliefd hij heeft gekliefd wij hebben gekliefd jullie hebben gekliefd zij hebben gekliefd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kliefde jij kliefde hij kliefde wij kliefden jullie kliefden zij kliefden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekliefd jij had gekliefd hij had gekliefd wij hadden gekliefd jullie hadden gekliefd zij hadden gekliefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal klieven jij zult klieven hij zal klieven wij zullen klieven jullie zullen klieven zij zullen klieven
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekliefd hebben jij zult gekliefd hebben hij zal gekliefd hebben wij zullen gekliefd hebben jullie zullen gekliefd hebben zij zullen gekliefd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou klieven jij zou klieven hij zou klieven wij zouden klieven jullie zouden klieven zij zouden klieven
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekliefd hebben jij zou gekliefd hebben hij zou gekliefd hebben wij zouden gekliefd hebben jullie zouden gekliefd hebben zij zouden gekliefd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
klief
|