NL: kletterenSynoniemen: rammelen, rinkelen, klikken, klappen, klakken, tingelen, klingelen, snorren, smakken, slingeren
DE: klappern, rasseln, rütteln, hacken, klingen, klingeln, hüpfen, hinken, klirren, rumpeln, rattern, klimpern
EN: rattling, jingle, clang, clink, jangle
ES: brindar, chocar los vasos, sonar, saltar, golpear, chocar, teclear, brincar, repicar, trincar, remachar, tintinear, traquetear, repiquetear, caer con estrépito
FR: tintinnabuler, cliqueter, gambader, sauter, sonner, retentir, boiter, résonner, tinter, sautiller, ferrailler, clopiner, claudiquer, carillonner, boitiller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekletterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kletter jij klettert hij klettert wij kletteren jullie kletteren zij kletteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekletterd jij hebt gekletterd hij heeft gekletterd wij hebben gekletterd jullie hebben gekletterd zij hebben gekletterd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kletterde jij kletterde hij kletterde wij kletterden jullie kletterden zij kletterden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekletterd jij had gekletterd hij had gekletterd wij hadden gekletterd jullie hadden gekletterd zij hadden gekletterd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kletteren jij zult kletteren hij zal kletteren wij zullen kletteren jullie zullen kletteren zij zullen kletteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekletterd hebben jij zult gekletterd hebben hij zal gekletterd hebben wij zullen gekletterd hebben jullie zullen gekletterd hebben zij zullen gekletterd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kletteren jij zou kletteren hij zou kletteren wij zouden kletteren jullie zouden kletteren zij zouden kletteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekletterd hebben jij zou gekletterd hebben hij zou gekletterd hebben wij zouden gekletterd hebben jullie zouden gekletterd hebben zij zouden gekletterd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kletter
|