NL: kledderenSynoniemen: kliederen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekledderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kledder jij kleddert hij kleddert wij kledderen jullie kledderen zij kledderen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekledderd jij hebt gekledderd hij heeft gekledderd wij hebben gekledderd jullie hebben gekledderd zij hebben gekledderd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kledderde jij kledderde hij kledderde wij kledderden jullie kledderden zij kledderden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekledderd jij had gekledderd hij had gekledderd wij hadden gekledderd jullie hadden gekledderd zij hadden gekledderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kledderen jij zult kledderen hij zal kledderen wij zullen kledderen jullie zullen kledderen zij zullen kledderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekledderd hebben jij zult gekledderd hebben hij zal gekledderd hebben wij zullen gekledderd hebben jullie zullen gekledderd hebben zij zullen gekledderd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kledderen jij zou kledderen hij zou kledderen wij zouden kledderen jullie zouden kledderen zij zouden kledderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekledderd hebben jij zou gekledderd hebben hij zou gekledderd hebben wij zouden gekledderd hebben jullie zouden gekledderd hebben zij zouden gekledderd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kledder
|