NL: klarenSynoniemen: inklaren, regelen, afdoen, reinigen, louteren, kuisen
DE: einklarieren, Bagage einklarieren
EN: clear baggage, clear, enter
FR: déclarer, dédouaner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geklaard
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik klaar jij klaart hij klaart wij klaren jullie klaren zij klaren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geklaard jij hebt geklaard hij heeft geklaard wij hebben geklaard jullie hebben geklaard zij hebben geklaard
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik klaarde jij klaarde hij klaarde wij klaarden jullie klaarden zij klaarden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geklaard jij had geklaard hij had geklaard wij hadden geklaard jullie hadden geklaard zij hadden geklaard
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal klaren jij zult klaren hij zal klaren wij zullen klaren jullie zullen klaren zij zullen klaren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geklaard hebben jij zult geklaard hebben hij zal geklaard hebben wij zullen geklaard hebben jullie zullen geklaard hebben zij zullen geklaard hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou klaren jij zou klaren hij zou klaren wij zouden klaren jullie zouden klaren zij zouden klaren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geklaard hebben jij zou geklaard hebben hij zou geklaard hebben wij zouden geklaard hebben jullie zouden geklaard hebben zij zouden geklaard hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
klaar
|