NL: klaarstaanDE: bereitstehen, dasein
EN: be prepared, be ready
ES: estar dispuesto, estar listo
FR: être disposé à, être prêt à, être prêt
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
klaargestaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sta klaar jij staat klaar hij staat klaar wij staan klaar jullie staan klaar zij staan klaar
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb klaargestaan jij hebt klaargestaan hij heeft klaargestaan wij hebben klaargestaan jullie hebben klaargestaan zij hebben klaargestaan
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stond klaar jij stond klaar hij stond klaar wij stonden klaar jullie stonden klaar zij stonden klaar
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had klaargestaan jij had klaargestaan hij had klaargestaan wij hadden klaargestaan jullie hadden klaargestaan zij hadden klaargestaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal klaarstaan jij zult klaarstaan hij zal klaarstaan wij zullen klaarstaan jullie zullen klaarstaan zij zullen klaarstaan
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal klaargestaan hebben jij zult klaargestaan hebben hij zal klaargestaan hebben wij zullen klaargestaan hebben jullie zullen klaargestaan hebben zij zullen klaargestaan hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou klaarstaan jij zou klaarstaan hij zou klaarstaan wij zouden klaarstaan jullie zouden klaarstaan zij zouden klaarstaan
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou klaargestaan hebben jij zou klaargestaan hebben hij zou klaargestaan hebben wij zouden klaargestaan hebben jullie zouden klaargestaan hebben zij zouden klaargestaan hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sta klaar
|