NL: killen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekild
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kil jij kilt hij kilt wij killen jullie killen zij killen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekild jij hebt gekild hij heeft gekild wij hebben gekild jullie hebben gekild zij hebben gekild
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kilde jij kilde hij kilde wij kilden jullie kilden zij kilden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekild jij had gekild hij had gekild wij hadden gekild jullie hadden gekild zij hadden gekild
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal killen jij zult killen hij zal killen wij zullen killen jullie zullen killen zij zullen killen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekild hebben jij zult gekild hebben hij zal gekild hebben wij zullen gekild hebben jullie zullen gekild hebben zij zullen gekild hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou killen jij zou killen hij zou killen wij zouden killen jullie zouden killen zij zouden killen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekild hebben jij zou gekild hebben hij zou gekild hebben wij zouden gekild hebben jullie zouden gekild hebben zij zouden gekild hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kil
|
DE: killen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gekillt killend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich kille du killst er killt wir killen ihr killt sie; Sie killen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bin gekillt du hast gekillt er hat gekillt wir haben gekillt ihr habt gekillt sie; Sie haben gekillt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich killte du killtest er killte wir killten ihr killtet sie; Sie killten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich war gekillt du hattest gekillt er hatte gekillt wir hatten gekillt ihr hattet gekillt sie; Sie hatten gekillt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde killen du wirst killen er wird killen wir werden killen ihr werdet killen sie; Sie werden killen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gekillt sein du wirst gekillt haben er wird gekillt haben wir werden gekillt haben ihr werdet gekillt haben sie; Sie werden gekillt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich kille du killest er kille wir killen ihr killet sie; Sie killen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sei gekillt du habest gekillt er habe gekillt wir haben gekillt ihr habet gekillt sie; Sie haben gekillt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich killte du killtest er killte wir killten ihr killtet sie; Sie killten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gekillt du hättest gekillt er hätte gekillt wir hätten gekillt ihr hättet gekillt sie; Sie hätten gekillt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde killen du würdest killen er würde killen wir würden killen ihr würdet killen sie; Sie würden killen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gekillt haben du würdest gekillt haben er würde gekillt haben wir würden gekillt haben ihr würdet gekillt haben sie; Sie würden gekillt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du kille
|