NL: keurenSynoniemen: beoordelen, beproeven, examineren, proeven, schouwen, inspecteren, controleren, monsteren, testen, onderzoeken, proberen
DE: keuren (beproeven): prüfen, untersuchen, überprüfen, testen, kontrollieren, erproben, ausprobieren, proben, inspizieren
EN: keuren (beproeven): examine, verify, test, check, inspect, control, try
ES: keuren (beproeven): probar, comprobar, ensayar, buscar, mirar, verificar, corregir, repasar, controlar, catar
FR: keuren (beproeven): tester, examiner, soumettre à une inspection, essayer, vérifier, éprouver, faire une inspection de, inspecter, faire subir un test, soumettre à un test, passer en revue, faire passer un examen, mettre à l'épreuve
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekeurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik keur jij keurt hij keurt wij keuren jullie keuren zij keuren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekeurd jij hebt gekeurd hij heeft gekeurd wij hebben gekeurd jullie hebben gekeurd zij hebben gekeurd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik keurde jij keurde hij keurde wij keurden jullie keurden zij keurden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekeurd jij had gekeurd hij had gekeurd wij hadden gekeurd jullie hadden gekeurd zij hadden gekeurd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal keuren jij zult keuren hij zal keuren wij zullen keuren jullie zullen keuren zij zullen keuren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekeurd hebben jij zult gekeurd hebben hij zal gekeurd hebben wij zullen gekeurd hebben jullie zullen gekeurd hebben zij zullen gekeurd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou keuren jij zou keuren hij zou keuren wij zouden keuren jullie zouden keuren zij zouden keuren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekeurd hebben jij zou gekeurd hebben hij zou gekeurd hebben wij zouden gekeurd hebben jullie zouden gekeurd hebben zij zouden gekeurd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
keur
|