NL: kennenSynoniemen: kennen
DE: können, auswendig können, gelernt haben
EN: be acquainted with
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ken jij kent hij kent wij kennen jullie kennen zij kennen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekend jij hebt gekend hij heeft gekend wij hebben gekend jullie hebben gekend zij hebben gekend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kende jij kende hij kende wij kenden jullie kenden zij kenden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekend jij had gekend hij had gekend wij hadden gekend jullie hadden gekend zij hadden gekend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kennen jij zult kennen hij zal kennen wij zullen kennen jullie zullen kennen zij zullen kennen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekend hebben jij zult gekend hebben hij zal gekend hebben wij zullen gekend hebben jullie zullen gekend hebben zij zullen gekend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kennen jij zou kennen hij zou kennen wij zouden kennen jullie zouden kennen zij zouden kennen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekend hebben jij zou gekend hebben hij zou gekend hebben wij zouden gekend hebben jullie zouden gekend hebben zij zouden gekend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ken
|
DE: kennenSynoniemen: können, auswendig können, gelernt haben
NL: kennen
EN: be acquainted with
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gekannt kennend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich kenne du kennst er kennt wir kennen ihr kennt sie; Sie kennen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gekannt du hast gekannt er hat gekannt wir haben gekannt ihr habt gekannt sie; Sie haben gekannt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich kannte du kanntest er kannte wir kannten ihr kanntet sie; Sie kannten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gekannt du hattest gekannt er hatte gekannt wir hatten gekannt ihr hattet gekannt sie; Sie hatten gekannt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde kennen du wirst kennen er wird kennen wir werden kennen ihr werdet kennen sie; Sie werden kennen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gekannt haben du wirst gekannt haben er wird gekannt haben wir werden gekannt haben ihr werdet gekannt haben sie; Sie werden gekannt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich kenne du kennest er kenne wir kennen ihr kennet sie; Sie kennen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gekannt du habest gekannt er habe gekannt wir haben gekannt ihr habet gekannt sie; Sie haben gekannt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich kennte du kenntest er kennte wir kennten ihr kenntet sie; Sie kennten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gekannt du hättest gekannt er hätte gekannt wir hätten gekannt ihr hättet gekannt sie; Sie hätten gekannt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde kennen du würdest kennen er würde kennen wir würden kennen ihr würdet kennen sie; Sie würden kennen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gekannt haben du würdest gekannt haben er würde gekannt haben wir würden gekannt haben ihr würdet gekannt haben sie; Sie würden gekannt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du kenne
|