NL: karrenSynoniemen: vrachtkar
DE: Wagen, Fuhrwerk, Karre
EN: the cart, the wagon
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekard
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kar jij kart hij kart wij karren jullie karren zij karren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekard jij hebt gekard hij heeft gekard wij hebben gekard jullie hebben gekard zij hebben gekard
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik karde jij karde hij karde wij karden jullie karden zij karden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekard jij had gekard hij had gekard wij hadden gekard jullie hadden gekard zij hadden gekard
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal karren jij zult karren hij zal karren wij zullen karren jullie zullen karren zij zullen karren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekard hebben jij zult gekard hebben hij zal gekard hebben wij zullen gekard hebben jullie zullen gekard hebben zij zullen gekard hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou karren jij zou karren hij zou karren wij zouden karren jullie zouden karren zij zouden karren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekard hebben jij zou gekard hebben hij zou gekard hebben wij zouden gekard hebben jullie zouden gekard hebben zij zouden gekard hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kar
|
DE: karrenSynoniemen: Wagen, Fuhrwerk, Karre
NL: vrachtkar
EN: the cart, the wagon
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gekarrt karrend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich karre du karrst er karrt wir karren ihr karrt sie; Sie karren
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gekarrt du hast gekarrt er hat gekarrt wir haben gekarrt ihr habt gekarrt sie; Sie haben gekarrt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich karrte du karrtest er karrte wir karrten ihr karrtet sie; Sie karrten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gekarrt du hattest gekarrt er hatte gekarrt wir hatten gekarrt ihr hattet gekarrt sie; Sie hatten gekarrt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde karren du wirst karren er wird karren wir werden karren ihr werdet karren sie; Sie werden karren
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gekarrt haben du wirst gekarrt haben er wird gekarrt haben wir werden gekarrt haben ihr werdet gekarrt haben sie; Sie werden gekarrt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich karre du karrest er karre wir karren ihr karret sie; Sie karren
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gekarrt du habest gekarrt er habe gekarrt wir haben gekarrt ihr habet gekarrt sie; Sie haben gekarrt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich karrte du karrtest er karrte wir karrten ihr karrtet sie; Sie karrten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gekarrt du hättest gekarrt er hätte gekarrt wir hätten gekarrt ihr hättet gekarrt sie; Sie hätten gekarrt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde karren du würdest karren er würde karren wir würden karren ihr würdet karren sie; Sie würden karren
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gekarrt haben du würdest gekarrt haben er würde gekarrt haben wir würden gekarrt haben ihr würdet gekarrt haben sie; Sie würden gekarrt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du karre
|