NL: kappenSynoniemen: kappen (abhauen): afkappen, afhouwen, afhakken
EN: kappen (abhauen): chop off, cut off, hew off
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kap jij kapt hij kapt wij kappen jullie kappen zij kappen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekapt jij hebt gekapt hij heeft gekapt wij hebben gekapt jullie hebben gekapt zij hebben gekapt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kapte jij kapte hij kapte wij kapten jullie kapten zij kapten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekapt jij had gekapt hij had gekapt wij hadden gekapt jullie hadden gekapt zij hadden gekapt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kappen jij zult kappen hij zal kappen wij zullen kappen jullie zullen kappen zij zullen kappen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekapt hebben jij zult gekapt hebben hij zal gekapt hebben wij zullen gekapt hebben jullie zullen gekapt hebben zij zullen gekapt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kappen jij zou kappen hij zou kappen wij zouden kappen jullie zouden kappen zij zouden kappen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekapt hebben jij zou gekapt hebben hij zou gekapt hebben wij zouden gekapt hebben jullie zouden gekapt hebben zij zouden gekapt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kap
|
DE: kappenNL: kappen (abhauen): afkappen, afhouwen, afhakken
EN: kappen (abhauen): chop off, cut off, hew off
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gekappt kappend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich kappe du kappst er kappt wir kappen ihr kappt sie; Sie kappen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gekappt du hast gekappt er hat gekappt wir haben gekappt ihr habt gekappt sie; Sie haben gekappt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich kappte du kapptest er kappte wir kappten ihr kapptet sie; Sie kappten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gekappt du hattest gekappt er hatte gekappt wir hatten gekappt ihr hattet gekappt sie; Sie hatten gekappt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde kappen du wirst kappen er wird kappen wir werden kappen ihr werdet kappen sie; Sie werden kappen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gekappt haben du wirst gekappt haben er wird gekappt haben wir werden gekappt haben ihr werdet gekappt haben sie; Sie werden gekappt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich kappe du kappest er kappe wir kappen ihr kappet sie; Sie kappen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gekappt du habest gekappt er habe gekappt wir haben gekappt ihr habet gekappt sie; Sie haben gekappt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich kappte du kapptest er kappte wir kappten ihr kapptet sie; Sie kappten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gekappt du hättest gekappt er hätte gekappt wir hätten gekappt ihr hättet gekappt sie; Sie hätten gekappt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde kappen du würdest kappen er würde kappen wir würden kappen ihr würdet kappen sie; Sie würden kappen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gekappt haben du würdest gekappt haben er würde gekappt haben wir würden gekappt haben ihr würdet gekappt haben sie; Sie würden gekappt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du kappe
|