NL: kapotmakenSynoniemen: moeren, mollen, nekken, vernielen
DE: brechen, entweihen, beschädigen, zerbrechen, aufbrechen, kaputtmachen
EN: destroy, break, wreck, break into pieces
ES: romper, dañar, quebrantar, deformar, fracturar, desfigurar, abusar de, refractar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
kapotgemaakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik maak kapot jij maakt kapot hij maakt kapot wij maken kapot jullie maken kapot zij maken kapot
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb kapotgemaakt jij hebt kapotgemaakt hij heeft kapotgemaakt wij hebben kapotgemaakt jullie hebben kapotgemaakt zij hebben kapotgemaakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik maakte kapot jij maakte kapot hij maakte kapot wij maakten kapot jullie maakten kapot zij maakten kapot
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had kapotgemaakt jij had kapotgemaakt hij had kapotgemaakt wij hadden kapotgemaakt jullie hadden kapotgemaakt zij hadden kapotgemaakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kapotmaken jij zult kapotmaken hij zal kapotmaken wij zullen kapotmaken jullie zullen kapotmaken zij zullen kapotmaken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal kapotgemaakt hebben jij zult kapotgemaakt hebben hij zal kapotgemaakt hebben wij zullen kapotgemaakt hebben jullie zullen kapotgemaakt hebben zij zullen kapotgemaakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kapotmaken jij zou kapotmaken hij zou kapotmaken wij zouden kapotmaken jullie zouden kapotmaken zij zouden kapotmaken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou kapotgemaakt hebben jij zou kapotgemaakt hebben hij zou kapotgemaakt hebben wij zouden kapotgemaakt hebben jullie zouden kapotgemaakt hebben zij zouden kapotgemaakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
maak kapot
|