Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

kanten vervoegen




DE: kanten

NL: kanten

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gekant
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik kant
jij kant
hij kant
wij kanten
jullie kanten
zij kanten
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gekant
jij hebt gekant
hij heeft gekant
wij hebben gekant
jullie hebben gekant
zij hebben gekant
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik kantte
jij kantte
hij kantte
wij kantten
jullie kantten
zij kantten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gekant
jij had gekant
hij had gekant
wij hadden gekant
jullie hadden gekant
zij hadden gekant
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal kanten
jij zult kanten
hij zal kanten
wij zullen kanten
jullie zullen kanten
zij zullen kanten
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gekant hebben
jij zult gekant hebben
hij zal gekant hebben
wij zullen gekant hebben
jullie zullen gekant hebben
zij zullen gekant hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou kanten
jij zou kanten
hij zou kanten
wij zouden kanten
jullie zouden kanten
zij zouden kanten
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gekant hebben
jij zou gekant hebben
hij zou gekant hebben
wij zouden gekant hebben
jullie zouden gekant hebben
zij zouden gekant hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
kant


DE: kanten
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gekantet
kantend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich kante
du kantest
er kantet
wir kanten
ihr kantet
sie; Sie kanten
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gekantet
du hast gekantet
er hat gekantet
wir haben gekantet
ihr habt gekantet
sie; Sie haben gekantet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich kantete
du kantetest
er kantete
wir kanteten
ihr kantetet
sie; Sie kanteten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gekantet
du hattest gekantet
er hatte gekantet
wir hatten gekantet
ihr hattet gekantet
sie; Sie hatten gekantet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde kanten
du wirst kanten
er wird kanten
wir werden kanten
ihr werdet kanten
sie; Sie werden kanten
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gekantet haben
du wirst gekantet haben
er wird gekantet haben
wir werden gekantet haben
ihr werdet gekantet haben
sie; Sie werden gekantet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich kante
du kantest
er kante
wir kanten
ihr kantet
sie; Sie kanten
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gekantet
du habest gekantet
er habe gekantet
wir haben gekantet
ihr habet gekantet
sie; Sie haben gekantet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich kantete
du kantetest
er kantete
wir kanteten
ihr kantetet
sie; Sie kanteten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gekantet
du hättest gekantet
er hätte gekantet
wir hätten gekantet
ihr hättet gekantet
sie; Sie hätten gekantet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde kanten
du würdest kanten
er würde kanten
wir würden kanten
ihr würdet kanten
sie; Sie würden kanten
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gekantet haben
du würdest gekantet haben
er würde gekantet haben
wir würden gekantet haben
ihr würdet gekantet haben
sie; Sie würden gekantet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du kante

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/kanten

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald