NL: kantelenSynoniemen: kapseizen, omkeren, wentelen, roteren, ronddraaien, rollen, draaien, omvergooien, omgooien, omkantelen, kiepen, dompen
DE: kantelen (over een kant vallen): kentern, kippen, kanten, umkippen
EN: kantelen (over een kant vallen): turn over, flip
ES: kantelen (over een kant vallen): volcar, zozobrar
FR: kantelen (over een kant vallen): basculer, se renverser, retourner, chavirer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekanteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kantel jij kantelt hij kantelt wij kantelen jullie kantelen zij kantelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekanteld jij hebt gekanteld hij heeft gekanteld wij hebben gekanteld jullie hebben gekanteld zij hebben gekanteld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kantelde jij kantelde hij kantelde wij kantelden jullie kantelden zij kantelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekanteld jij had gekanteld hij had gekanteld wij hadden gekanteld jullie hadden gekanteld zij hadden gekanteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kantelen jij zult kantelen hij zal kantelen wij zullen kantelen jullie zullen kantelen zij zullen kantelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekanteld hebben jij zult gekanteld hebben hij zal gekanteld hebben wij zullen gekanteld hebben jullie zullen gekanteld hebben zij zullen gekanteld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kantelen jij zou kantelen hij zou kantelen wij zouden kantelen jullie zouden kantelen zij zouden kantelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekanteld hebben jij zou gekanteld hebben hij zou gekanteld hebben wij zouden gekanteld hebben jullie zouden gekanteld hebben zij zouden gekanteld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kantel
|