NL: kampenSynoniemen: knokken, strijden, vechten, matten, duelleren, bakkeleien
DE: kampen (knokken): schlagen, streiten, sich raufen, bekämpfen, sich duellieren, bestreiten, balgen, sich keilen
EN: kampen (knokken): fight, scrap, scuffle
ES: kampen (knokken): combatir, pelearse, luchar, reñir, batirse, pelear, impugnar, luchar contra, dar puñetazos, combatir en desafío, andar a la greña, hacer un duelo, batirse en duelo
FR: kampen (knokken): se battre, tabasser, battre le fer, se battre en duel, se cogner, se bagarrer, se chamailler, castagner, se quereller, aller sur le pré, taper dur
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekampt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kamp jij kampt hij kampt wij kampen jullie kampen zij kampen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekampt jij hebt gekampt hij heeft gekampt wij hebben gekampt jullie hebben gekampt zij hebben gekampt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kampte jij kampte hij kampte wij kampten jullie kampten zij kampten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekampt jij had gekampt hij had gekampt wij hadden gekampt jullie hadden gekampt zij hadden gekampt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kampen jij zult kampen hij zal kampen wij zullen kampen jullie zullen kampen zij zullen kampen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekampt hebben jij zult gekampt hebben hij zal gekampt hebben wij zullen gekampt hebben jullie zullen gekampt hebben zij zullen gekampt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kampen jij zou kampen hij zou kampen wij zouden kampen jullie zouden kampen zij zouden kampen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekampt hebben jij zou gekampt hebben hij zou gekampt hebben wij zouden gekampt hebben jullie zouden gekampt hebben zij zouden gekampt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kamp
|