NL: kalken U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gekalkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kalk jij kalkt hij kalkt wij kalken jullie kalken zij kalken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gekalkt jij hebt gekalkt hij heeft gekalkt wij hebben gekalkt jullie hebben gekalkt zij hebben gekalkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kalkte jij kalkte hij kalkte wij kalkten jullie kalkten zij kalkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gekalkt jij had gekalkt hij had gekalkt wij hadden gekalkt jullie hadden gekalkt zij hadden gekalkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal kalken jij zult kalken hij zal kalken wij zullen kalken jullie zullen kalken zij zullen kalken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gekalkt hebben jij zult gekalkt hebben hij zal gekalkt hebben wij zullen gekalkt hebben jullie zullen gekalkt hebben zij zullen gekalkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou kalken jij zou kalken hij zou kalken wij zouden kalken jullie zouden kalken zij zouden kalken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gekalkt hebben jij zou gekalkt hebben hij zou gekalkt hebben wij zouden gekalkt hebben jullie zouden gekalkt hebben zij zouden gekalkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kalk
|
DE: kalken| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gekalkt kalkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich kalke du kalkst er kalkt wir kalken ihr kalkt sie; Sie kalken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gekalkt du hast gekalkt er hat gekalkt wir haben gekalkt ihr habt gekalkt sie; Sie haben gekalkt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich kalkte du kalktest er kalkte wir kalkten ihr kalktet sie; Sie kalkten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gekalkt du hattest gekalkt er hatte gekalkt wir hatten gekalkt ihr hattet gekalkt sie; Sie hatten gekalkt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde kalken du wirst kalken er wird kalken wir werden kalken ihr werdet kalken sie; Sie werden kalken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gekalkt haben du wirst gekalkt haben er wird gekalkt haben wir werden gekalkt haben ihr werdet gekalkt haben sie; Sie werden gekalkt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich kalke du kalkest er kalke wir kalken ihr kalket sie; Sie kalken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gekalkt du habest gekalkt er habe gekalkt wir haben gekalkt ihr habet gekalkt sie; Sie haben gekalkt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich kalkte du kalktest er kalkte wir kalkten ihr kalktet sie; Sie kalkten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gekalkt du hättest gekalkt er hätte gekalkt wir hätten gekalkt ihr hättet gekalkt sie; Sie hätten gekalkt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde kalken du würdest kalken er würde kalken wir würden kalken ihr würdet kalken sie; Sie würden kalken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gekalkt haben du würdest gekalkt haben er würde gekalkt haben wir würden gekalkt haben ihr würdet gekalkt haben sie; Sie würden gekalkt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du kalke
|