NL: jurerenEN: jureren (in een jury zitten): be member of the jury
FR: jureren (in een jury zitten): être membre d'un jury
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gejureerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik jureer jij jureert hij jureert wij jureren jullie jureren zij jureren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gejureerd jij hebt gejureerd hij heeft gejureerd wij hebben gejureerd jullie hebben gejureerd zij hebben gejureerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik jureerde jij jureerde hij jureerde wij jureerden jullie jureerden zij jureerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gejureerd jij had gejureerd hij had gejureerd wij hadden gejureerd jullie hadden gejureerd zij hadden gejureerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal jureren jij zult jureren hij zal jureren wij zullen jureren jullie zullen jureren zij zullen jureren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gejureerd hebben jij zult gejureerd hebben hij zal gejureerd hebben wij zullen gejureerd hebben jullie zullen gejureerd hebben zij zullen gejureerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou jureren jij zou jureren hij zou jureren wij zouden jureren jullie zouden jureren zij zouden jureren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gejureerd hebben jij zou gejureerd hebben hij zou gejureerd hebben wij zouden gejureerd hebben jullie zouden gejureerd hebben zij zouden gejureerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
jureer
|