NL: jubileren U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gejubileerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik jubileer jij jubileert hij jubileert wij jubileren jullie jubileren zij jubileren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gejubileerd jij hebt gejubileerd hij heeft gejubileerd wij hebben gejubileerd jullie hebben gejubileerd zij hebben gejubileerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik jubileerde jij jubileerde hij jubileerde wij jubileerden jullie jubileerden zij jubileerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gejubileerd jij had gejubileerd hij had gejubileerd wij hadden gejubileerd jullie hadden gejubileerd zij hadden gejubileerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal jubileren jij zult jubileren hij zal jubileren wij zullen jubileren jullie zullen jubileren zij zullen jubileren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gejubileerd hebben jij zult gejubileerd hebben hij zal gejubileerd hebben wij zullen gejubileerd hebben jullie zullen gejubileerd hebben zij zullen gejubileerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou jubileren jij zou jubileren hij zou jubileren wij zouden jubileren jullie zouden jubileren zij zouden jubileren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gejubileerd hebben jij zou gejubileerd hebben hij zou gejubileerd hebben wij zouden gejubileerd hebben jullie zouden gejubileerd hebben zij zouden gejubileerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
jubileer
|