| Vervoegen: jongleren |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gejongleerd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik jongleer jij jongleert hij jongleert wij jongleren jullie jongleren zij jongleren |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gejongleerd jij hebt gejongleerd hij heeft gejongleerd wij hebben gejongleerd jullie hebben gejongleerd zij hebben gejongleerd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik jongleerde jij jongleerde hij jongleerde wij jongleerden jullie jongleerden zij jongleerden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gejongleerd jij had gejongleerd hij had gejongleerd wij hadden gejongleerd jullie hadden gejongleerd zij hadden gejongleerd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal jongleren jij zult jongleren hij zal jongleren wij zullen jongleren jullie zullen jongleren zij zullen jongleren |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gejongleerd hebben jij zult gejongleerd hebben hij zal gejongleerd hebben wij zullen gejongleerd hebben jullie zullen gejongleerd hebben zij zullen gejongleerd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou jongleren jij zou jongleren hij zou jongleren wij zouden jongleren jullie zouden jongleren zij zouden jongleren |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gejongleerd hebben jij zou gejongleerd hebben hij zou gejongleerd hebben wij zouden gejongleerd hebben jullie zouden gejongleerd hebben zij zouden gejongleerd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| jongleer |