NL: jodelenDE: jodeln
EN: yodel
FR: jodler, iodler
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gejodeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik jodel jij jodelt hij jodelt wij jodelen jullie jodelen zij jodelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gejodeld jij hebt gejodeld hij heeft gejodeld wij hebben gejodeld jullie hebben gejodeld zij hebben gejodeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik jodelde jij jodelde hij jodelde wij jodelden jullie jodelden zij jodelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gejodeld jij had gejodeld hij had gejodeld wij hadden gejodeld jullie hadden gejodeld zij hadden gejodeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal jodelen jij zult jodelen hij zal jodelen wij zullen jodelen jullie zullen jodelen zij zullen jodelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gejodeld hebben jij zult gejodeld hebben hij zal gejodeld hebben wij zullen gejodeld hebben jullie zullen gejodeld hebben zij zullen gejodeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou jodelen jij zou jodelen hij zou jodelen wij zouden jodelen jullie zouden jodelen zij zouden jodelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gejodeld hebben jij zou gejodeld hebben hij zou gejodeld hebben wij zouden gejodeld hebben jullie zouden gejodeld hebben zij zouden gejodeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
jodel
|