NL: jennenSynoniemen: pesten, zieken, uitdagen, treiteren, tergen, tarten, stangen, sarren, plagen
DE: jennen (sarren): ärgern, triezen, provozieren, striezen, piesacken, schikanieren, zusetzen, reizen
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gejend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik jen jij jent hij jent wij jennen jullie jennen zij jennen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gejend jij hebt gejend hij heeft gejend wij hebben gejend jullie hebben gejend zij hebben gejend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik jende jij jende hij jende wij jenden jullie jenden zij jenden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gejend jij had gejend hij had gejend wij hadden gejend jullie hadden gejend zij hadden gejend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal jennen jij zult jennen hij zal jennen wij zullen jennen jullie zullen jennen zij zullen jennen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gejend hebben jij zult gejend hebben hij zal gejend hebben wij zullen gejend hebben jullie zullen gejend hebben zij zullen gejend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou jennen jij zou jennen hij zou jennen wij zouden jennen jullie zouden jennen zij zouden jennen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gejend hebben jij zou gejend hebben hij zou gejend hebben wij zouden gejend hebben jullie zouden gejend hebben zij zouden gejend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
jen
|