| Vervoegen: japen |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gejaapt |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik jaap jij jaapt hij jaapt wij japen jullie japen zij japen |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gejaapt jij hebt gejaapt hij heeft gejaapt wij hebben gejaapt jullie hebben gejaapt zij hebben gejaapt |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik jaapte jij jaapte hij jaapte wij jaapten jullie jaapten zij jaapten |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gejaapt jij had gejaapt hij had gejaapt wij hadden gejaapt jullie hadden gejaapt zij hadden gejaapt |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal japen jij zult japen hij zal japen wij zullen japen jullie zullen japen zij zullen japen |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gejaapt hebben jij zult gejaapt hebben hij zal gejaapt hebben wij zullen gejaapt hebben jullie zullen gejaapt hebben zij zullen gejaapt hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou japen jij zou japen hij zou japen wij zouden japen jullie zouden japen zij zouden japen |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gejaapt hebben jij zou gejaapt hebben hij zou gejaapt hebben wij zouden gejaapt hebben jullie zouden gejaapt hebben zij zouden gejaapt hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| jaap |