| Vervoegen: jammeren |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| gejammerd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik jammer jij jammert hij jammert wij jammeren jullie jammeren zij jammeren |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb gejammerd jij hebt gejammerd hij heeft gejammerd wij hebben gejammerd jullie hebben gejammerd zij hebben gejammerd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik jammerde jij jammerde hij jammerde wij jammerden jullie jammerden zij jammerden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had gejammerd jij had gejammerd hij had gejammerd wij hadden gejammerd jullie hadden gejammerd zij hadden gejammerd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal jammeren jij zult jammeren hij zal jammeren wij zullen jammeren jullie zullen jammeren zij zullen jammeren |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal gejammerd hebben jij zult gejammerd hebben hij zal gejammerd hebben wij zullen gejammerd hebben jullie zullen gejammerd hebben zij zullen gejammerd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou jammeren jij zou jammeren hij zou jammeren wij zouden jammeren jullie zouden jammeren zij zouden jammeren |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou gejammerd hebben jij zou gejammerd hebben hij zou gejammerd hebben wij zouden gejammerd hebben jullie zouden gejammerd hebben zij zouden gejammerd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| jammer |