NL: jakkerenSynoniemen: drijven, jachten, reppen, spoeden, vliegen, snellen, opschieten, jagen, ijlen
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gejakkerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik jakker jij jakkert hij jakkert wij jakkeren jullie jakkeren zij jakkeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gejakkerd jij hebt gejakkerd hij heeft gejakkerd wij hebben gejakkerd jullie hebben gejakkerd zij hebben gejakkerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik jakkerde jij jakkerde hij jakkerde wij jakkerden jullie jakkerden zij jakkerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gejakkerd jij had gejakkerd hij had gejakkerd wij hadden gejakkerd jullie hadden gejakkerd zij hadden gejakkerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal jakkeren jij zult jakkeren hij zal jakkeren wij zullen jakkeren jullie zullen jakkeren zij zullen jakkeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gejakkerd hebben jij zult gejakkerd hebben hij zal gejakkerd hebben wij zullen gejakkerd hebben jullie zullen gejakkerd hebben zij zullen gejakkerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou jakkeren jij zou jakkeren hij zou jakkeren wij zouden jakkeren jullie zouden jakkeren zij zouden jakkeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gejakkerd hebben jij zou gejakkerd hebben hij zou gejakkerd hebben wij zouden gejakkerd hebben jullie zouden gejakkerd hebben zij zouden gejakkerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
jakker
|