NL: irriterenSynoniemen: boos maken, ergeren, prikkelen, agaceren
DE: ärgern, irritieren, auf die Nerven gehen, erregen, reizen, stören, belästigen, prickeln
EN: annoy, irritate, give offence, cause irritation, vex, chafe, anger
ES: irritar, fastidiar, enojar
FR: énerver, irriter, agacer, piquer, s'irriter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïrriteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik irriteer jij irriteert hij irriteert wij irriteren jullie irriteren zij irriteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïrriteerd jij hebt geïrriteerd hij heeft geïrriteerd wij hebben geïrriteerd jullie hebben geïrriteerd zij hebben geïrriteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik irriteerde jij irriteerde hij irriteerde wij irriteerden jullie irriteerden zij irriteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïrriteerd jij had geïrriteerd hij had geïrriteerd wij hadden geïrriteerd jullie hadden geïrriteerd zij hadden geïrriteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal irriteren jij zult irriteren hij zal irriteren wij zullen irriteren jullie zullen irriteren zij zullen irriteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïrriteerd hebben jij zult geïrriteerd hebben hij zal geïrriteerd hebben wij zullen geïrriteerd hebben jullie zullen geïrriteerd hebben zij zullen geïrriteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou irriteren jij zou irriteren hij zou irriteren wij zouden irriteren jullie zouden irriteren zij zouden irriteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïrriteerd hebben jij zou geïrriteerd hebben hij zou geïrriteerd hebben wij zouden geïrriteerd hebben jullie zouden geïrriteerd hebben zij zouden geïrriteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
irriteer
|