NL: ironiserenSynoniemen: bespotten
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïroniseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ironiseer jij ironiseert hij ironiseert wij ironiseren jullie ironiseren zij ironiseren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïroniseerd jij hebt geïroniseerd hij heeft geïroniseerd wij hebben geïroniseerd jullie hebben geïroniseerd zij hebben geïroniseerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ironiseerde jij ironiseerde hij ironiseerde wij ironiseerden jullie ironiseerden zij ironiseerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïroniseerd jij had geïroniseerd hij had geïroniseerd wij hadden geïroniseerd jullie hadden geïroniseerd zij hadden geïroniseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ironiseren jij zult ironiseren hij zal ironiseren wij zullen ironiseren jullie zullen ironiseren zij zullen ironiseren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïroniseerd hebben jij zult geïroniseerd hebben hij zal geïroniseerd hebben wij zullen geïroniseerd hebben jullie zullen geïroniseerd hebben zij zullen geïroniseerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ironiseren jij zou ironiseren hij zou ironiseren wij zouden ironiseren jullie zouden ironiseren zij zouden ironiseren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïroniseerd hebben jij zou geïroniseerd hebben hij zou geïroniseerd hebben wij zouden geïroniseerd hebben jullie zouden geïroniseerd hebben zij zouden geïroniseerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ironiseer
|