NL: inzegenenSynoniemen: consacreren, heiligen, inwijden, zegenen, wijden
DE: weihen, einweihen, einsegnen, initiieren, inaugurieren
EN: consecrate, bless, sanctify
ES: inaugurar, consagrar, santificar
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ingezegend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zegen in jij zegent in hij zegent in wij zegenen in jullie zegenen in zij zegenen in
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ingezegend jij hebt ingezegend hij heeft ingezegend wij hebben ingezegend jullie hebben ingezegend zij hebben ingezegend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zegende in jij zegende in hij zegende in wij zegenden in jullie zegenden in zij zegenden in
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ingezegend jij had ingezegend hij had ingezegend wij hadden ingezegend jullie hadden ingezegend zij hadden ingezegend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal inzegenen jij zult inzegenen hij zal inzegenen wij zullen inzegenen jullie zullen inzegenen zij zullen inzegenen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ingezegend hebben jij zult ingezegend hebben hij zal ingezegend hebben wij zullen ingezegend hebben jullie zullen ingezegend hebben zij zullen ingezegend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou inzegenen jij zou inzegenen hij zou inzegenen wij zouden inzegenen jullie zouden inzegenen zij zouden inzegenen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ingezegend hebben jij zou ingezegend hebben hij zou ingezegend hebben wij zouden ingezegend hebben jullie zouden ingezegend hebben zij zouden ingezegend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zegen in
|