NL: inzakkenSynoniemen: dalen, instorten, inzinken, invallen, terugvallen, kelderen, vallen, teruglopen
DE: inzakken (in elkaar zakken): einstürzen, einsacken, einsinken, zusammenstürzen, zusammenbrechen, zusammenfallen, zusammensinken
EN: inzakken (in elkaar zakken): slump, collapse, crumble down, cave in, subside, relapse
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ingezakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zak in jij zakt in hij zakt in wij zakken in jullie zakken in zij zakken in
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ingezakt jij hebt ingezakt hij heeft ingezakt wij hebben ingezakt jullie hebben ingezakt zij hebben ingezakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zakte in jij zakte in hij zakte in wij zakten in jullie zakten in zij zakten in
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ingezakt jij had ingezakt hij had ingezakt wij hadden ingezakt jullie hadden ingezakt zij hadden ingezakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal inzakken jij zult inzakken hij zal inzakken wij zullen inzakken jullie zullen inzakken zij zullen inzakken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ingezakt hebben jij zult ingezakt hebben hij zal ingezakt hebben wij zullen ingezakt hebben jullie zullen ingezakt hebben zij zullen ingezakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou inzakken jij zou inzakken hij zou inzakken wij zouden inzakken jullie zouden inzakken zij zouden inzakken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ingezakt hebben jij zou ingezakt hebben hij zou ingezakt hebben wij zouden ingezakt hebben jullie zouden ingezakt hebben zij zouden ingezakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zak in
|