NL: inwonenDE: bei jemandem wohnen
EN: live in, lodge
ES: alojarse, habitar, hospedarse, vivir en casa de una persona
FR: habiter chez, loger
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ingewoond
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik woon in jij woont in hij woont in wij wonen in jullie wonen in zij wonen in
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ingewoond jij hebt ingewoond hij heeft ingewoond wij hebben ingewoond jullie hebben ingewoond zij hebben ingewoond
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik woonde in jij woonde in hij woonde in wij woonden in jullie woonden in zij woonden in
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ingewoond jij had ingewoond hij had ingewoond wij hadden ingewoond jullie hadden ingewoond zij hadden ingewoond
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal inwonen jij zult inwonen hij zal inwonen wij zullen inwonen jullie zullen inwonen zij zullen inwonen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ingewoond hebben jij zult ingewoond hebben hij zal ingewoond hebben wij zullen ingewoond hebben jullie zullen ingewoond hebben zij zullen ingewoond hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou inwonen jij zou inwonen hij zou inwonen wij zouden inwonen jullie zouden inwonen zij zouden inwonen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ingewoond hebben jij zou ingewoond hebben hij zou ingewoond hebben wij zouden ingewoond hebben jullie zouden ingewoond hebben zij zouden ingewoond hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
woon in
|