NL: interviewen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïnterviewd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik interview jij interviewt hij interviewt wij interviewen jullie interviewen zij interviewen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïnterviewd jij hebt geïnterviewd hij heeft geïnterviewd wij hebben geïnterviewd jullie hebben geïnterviewd zij hebben geïnterviewd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik interviewde jij interviewde hij interviewde wij interviewden jullie interviewden zij interviewden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïnterviewd jij had geïnterviewd hij had geïnterviewd wij hadden geïnterviewd jullie hadden geïnterviewd zij hadden geïnterviewd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal interviewen jij zult interviewen hij zal interviewen wij zullen interviewen jullie zullen interviewen zij zullen interviewen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïnterviewd hebben jij zult geïnterviewd hebben hij zal geïnterviewd hebben wij zullen geïnterviewd hebben jullie zullen geïnterviewd hebben zij zullen geïnterviewd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou interviewen jij zou interviewen hij zou interviewen wij zouden interviewen jullie zouden interviewen zij zouden interviewen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïnterviewd hebben jij zou geïnterviewd hebben hij zou geïnterviewd hebben wij zouden geïnterviewd hebben jullie zouden geïnterviewd hebben zij zouden geïnterviewd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
interview
|
DE: interviewen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
interviewt interviewend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich interviewe du interviewst er interviewt wir interviewen ihr interviewt sie; Sie interviewen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe interviewt du hast interviewt er hat interviewt wir haben interviewt ihr habt interviewt sie; Sie haben interviewt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich interviewte du interviewtest er interviewte wir interviewten ihr interviewtet sie; Sie interviewten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte interviewt du hattest interviewt er hatte interviewt wir hatten interviewt ihr hattet interviewt sie; Sie hatten interviewt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde interviewen du wirst interviewen er wird interviewen wir werden interviewen ihr werdet interviewen sie; Sie werden interviewen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde interviewt haben du wirst interviewt haben er wird interviewt haben wir werden interviewt haben ihr werdet interviewt haben sie; Sie werden interviewt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich interviewe du interviewest er interviewe wir interviewen ihr interviewet sie; Sie interviewen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe interviewt du habest interviewt er habe interviewt wir haben interviewt ihr habet interviewt sie; Sie haben interviewt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich interviewte du interviewtest er interviewte wir interviewten ihr interviewtet sie; Sie interviewten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte interviewt du hättest interviewt er hätte interviewt wir hätten interviewt ihr hättet interviewt sie; Sie hätten interviewt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde interviewen du würdest interviewen er würde interviewen wir würden interviewen ihr würdet interviewen sie; Sie würden interviewen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde interviewt haben du würdest interviewt haben er würde interviewt haben wir würden interviewt haben ihr würdet interviewt haben sie; Sie würden interviewt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du interviewe
|
NL: interviewen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïnterviewd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik interview jij interviewt hij interviewt wij interviewen jullie interviewen zij interviewen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïnterviewd jij hebt geïnterviewd hij heeft geïnterviewd wij hebben geïnterviewd jullie hebben geïnterviewd zij hebben geïnterviewd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik interviewde jij interviewde hij interviewde wij interviewden jullie interviewden zij interviewden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïnterviewd jij had geïnterviewd hij had geïnterviewd wij hadden geïnterviewd jullie hadden geïnterviewd zij hadden geïnterviewd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal interviewen jij zult interviewen hij zal interviewen wij zullen interviewen jullie zullen interviewen zij zullen interviewen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïnterviewd hebben jij zult geïnterviewd hebben hij zal geïnterviewd hebben wij zullen geïnterviewd hebben jullie zullen geïnterviewd hebben zij zullen geïnterviewd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou interviewen jij zou interviewen hij zou interviewen wij zouden interviewen jullie zouden interviewen zij zouden interviewen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïnterviewd hebben jij zou geïnterviewd hebben hij zou geïnterviewd hebben wij zouden geïnterviewd hebben jullie zouden geïnterviewd hebben zij zouden geïnterviewd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
interview
|