NL: interrumperenSynoniemen: in de rede vallen, tussenkomen, tussenbeikomen, interveniëren, interfereren, ingrijpen, bemiddelen, onderbreken
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïnterrumpeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik interrumpeer jij interrumpeert hij interrumpeert wij interrumperen jullie interrumperen zij interrumperen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïnterrumpeerd jij hebt geïnterrumpeerd hij heeft geïnterrumpeerd wij hebben geïnterrumpeerd jullie hebben geïnterrumpeerd zij hebben geïnterrumpeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik interrumpeerde jij interrumpeerde hij interrumpeerde wij interrumpeerden jullie interrumpeerden zij interrumpeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïnterrumpeerd jij had geïnterrumpeerd hij had geïnterrumpeerd wij hadden geïnterrumpeerd jullie hadden geïnterrumpeerd zij hadden geïnterrumpeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal interrumperen jij zult interrumperen hij zal interrumperen wij zullen interrumperen jullie zullen interrumperen zij zullen interrumperen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïnterrumpeerd hebben jij zult geïnterrumpeerd hebben hij zal geïnterrumpeerd hebben wij zullen geïnterrumpeerd hebben jullie zullen geïnterrumpeerd hebben zij zullen geïnterrumpeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou interrumperen jij zou interrumperen hij zou interrumperen wij zouden interrumperen jullie zouden interrumperen zij zouden interrumperen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïnterrumpeerd hebben jij zou geïnterrumpeerd hebben hij zou geïnterrumpeerd hebben wij zouden geïnterrumpeerd hebben jullie zouden geïnterrumpeerd hebben zij zouden geïnterrumpeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
interrumpeer
|