NL: interrailen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïnterraild
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik interrail jij interrailt hij interrailt wij interrailen jullie interrailen zij interrailen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïnterraild jij hebt geïnterraild hij heeft geïnterraild wij hebben geïnterraild jullie hebben geïnterraild zij hebben geïnterraild
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik interrailde jij interrailde hij interrailde wij interrailden jullie interrailden zij interrailden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïnterraild jij had geïnterraild hij had geïnterraild wij hadden geïnterraild jullie hadden geïnterraild zij hadden geïnterraild
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal interrailen jij zult interrailen hij zal interrailen wij zullen interrailen jullie zullen interrailen zij zullen interrailen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïnterraild hebben jij zult geïnterraild hebben hij zal geïnterraild hebben wij zullen geïnterraild hebben jullie zullen geïnterraild hebben zij zullen geïnterraild hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou interrailen jij zou interrailen hij zou interrailen wij zouden interrailen jullie zouden interrailen zij zouden interrailen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïnterraild hebben jij zou geïnterraild hebben hij zou geïnterraild hebben wij zouden geïnterraild hebben jullie zouden geïnterraild hebben zij zouden geïnterraild hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
interrail
|