NL: interpellerenFR: interpeller, interroger, questionner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïnterpelleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik interpelleer jij interpelleert hij interpelleert wij interpelleren jullie interpelleren zij interpelleren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïnterpelleerd jij hebt geïnterpelleerd hij heeft geïnterpelleerd wij hebben geïnterpelleerd jullie hebben geïnterpelleerd zij hebben geïnterpelleerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik interpelleerde jij interpelleerde hij interpelleerde wij interpelleerden jullie interpelleerden zij interpelleerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïnterpelleerd jij had geïnterpelleerd hij had geïnterpelleerd wij hadden geïnterpelleerd jullie hadden geïnterpelleerd zij hadden geïnterpelleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal interpelleren jij zult interpelleren hij zal interpelleren wij zullen interpelleren jullie zullen interpelleren zij zullen interpelleren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïnterpelleerd hebben jij zult geïnterpelleerd hebben hij zal geïnterpelleerd hebben wij zullen geïnterpelleerd hebben jullie zullen geïnterpelleerd hebben zij zullen geïnterpelleerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou interpelleren jij zou interpelleren hij zou interpelleren wij zouden interpelleren jullie zouden interpelleren zij zouden interpelleren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïnterpelleerd hebben jij zou geïnterpelleerd hebben hij zou geïnterpelleerd hebben wij zouden geïnterpelleerd hebben jullie zouden geïnterpelleerd hebben zij zouden geïnterpelleerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
interpelleer
|