NL: instruerenSynoniemen: doceren, opdragen
DE: instrueren (opdracht geven): Auftrag erteilen
EN: instrueren (opdracht geven): assign to, instruct, give an order
ES: instrueren (opdracht geven): mandar, encargar, encomendar, ordenar, instruir, dar un encargo
FR: instrueren (opdracht geven): instruer, donner charge de, charger une personne de quelque chose
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïnstrueerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik instrueer jij instrueert hij instrueert wij instrueren jullie instrueren zij instrueren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïnstrueerd jij hebt geïnstrueerd hij heeft geïnstrueerd wij hebben geïnstrueerd jullie hebben geïnstrueerd zij hebben geïnstrueerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik instrueerde jij instrueerde hij instrueerde wij instrueerden jullie instrueerden zij instrueerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïnstrueerd jij had geïnstrueerd hij had geïnstrueerd wij hadden geïnstrueerd jullie hadden geïnstrueerd zij hadden geïnstrueerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal instrueren jij zult instrueren hij zal instrueren wij zullen instrueren jullie zullen instrueren zij zullen instrueren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïnstrueerd hebben jij zult geïnstrueerd hebben hij zal geïnstrueerd hebben wij zullen geïnstrueerd hebben jullie zullen geïnstrueerd hebben zij zullen geïnstrueerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou instrueren jij zou instrueren hij zou instrueren wij zouden instrueren jullie zouden instrueren zij zouden instrueren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïnstrueerd hebben jij zou geïnstrueerd hebben hij zou geïnstrueerd hebben wij zouden geïnstrueerd hebben jullie zouden geïnstrueerd hebben zij zouden geïnstrueerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
instrueer
|