NL: inspuitenDE: einimpfen, impfen, vakzinieren
EN: inject
ES: vacunar, inyectar
FR: injecter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ingespoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spuit in jij spuit in hij spuit in wij spuiten in jullie spuiten in zij spuiten in
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ingespoten jij hebt ingespoten hij heeft ingespoten wij hebben ingespoten jullie hebben ingespoten zij hebben ingespoten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik spoot in jij spoot in hij spoot in wij spoten in jullie spoten in zij spoten in
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ingespoten jij had ingespoten hij had ingespoten wij hadden ingespoten jullie hadden ingespoten zij hadden ingespoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal inspuiten jij zult inspuiten hij zal inspuiten wij zullen inspuiten jullie zullen inspuiten zij zullen inspuiten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ingespoten hebben jij zult ingespoten hebben hij zal ingespoten hebben wij zullen ingespoten hebben jullie zullen ingespoten hebben zij zullen ingespoten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou inspuiten jij zou inspuiten hij zou inspuiten wij zouden inspuiten jullie zouden inspuiten zij zouden inspuiten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ingespoten hebben jij zou ingespoten hebben hij zou ingespoten hebben wij zouden ingespoten hebben jullie zouden ingespoten hebben zij zouden ingespoten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spuit in
|