NL: inslapenSynoniemen: doodgaan, overlijden, sterven, verscheiden, ontslapen, heengaan, wegvallen, vallen, sneuvelen, omkomen, bezwijken
DE: inslapen (doodgaan): sterben, umkommen, entschlafen, im Sterben liegen, zugrunde gehen
EN: inslapen (doodgaan): die, fall, pass away, perish, succumb, be killed, depart this earth, be killed in action, depart this life
FR: inslapen (doodgaan): mourir, décéder, crever, être tué, agoniser, partir, trépasser, abdiquer, périr
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ingeslapen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik slaap in jij slaapt in hij slaapt in wij slapen in jullie slapen in zij slapen in
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ingeslapen jij hebt ingeslapen hij heeft ingeslapen wij hebben ingeslapen jullie hebben ingeslapen zij hebben ingeslapen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sliep in jij sliep in hij sliep in wij sliepen in jullie sliepen in zij sliepen in
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ingeslapen jij had ingeslapen hij had ingeslapen wij hadden ingeslapen jullie hadden ingeslapen zij hadden ingeslapen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal inslapen jij zult inslapen hij zal inslapen wij zullen inslapen jullie zullen inslapen zij zullen inslapen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ingeslapen hebben jij zult ingeslapen hebben hij zal ingeslapen hebben wij zullen ingeslapen hebben jullie zullen ingeslapen hebben zij zullen ingeslapen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou inslapen jij zou inslapen hij zou inslapen wij zouden inslapen jullie zouden inslapen zij zouden inslapen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ingeslapen hebben jij zou ingeslapen hebben hij zou ingeslapen hebben wij zouden ingeslapen hebben jullie zouden ingeslapen hebben zij zouden ingeslapen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
slaap in
|