NL: inrichtenSynoniemen: aanleggen, arrangeren, ingericht, installeren, meubileren, opstellen, woninginrichting, woningdecoratie, inrichting
DE: einrichten, installieren, errichten, einsetzen, bauen, aufstellen, aufbauen, festlegen, erbauen
EN: set up, install, arrange
ES: montar, arreglar, establecer, constituir, instalar, colocarse, estructurar, colocar, comenzar, construir, concebir, destinar, estacionar
FR: installer, arranger
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ingericht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik richt in jij richt in hij richt in wij richten in jullie richten in zij richten in
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ingericht jij hebt ingericht hij heeft ingericht wij hebben ingericht jullie hebben ingericht zij hebben ingericht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik richtte in jij richtte in hij richtte in wij richtten in jullie richtten in zij richtten in
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ingericht jij had ingericht hij had ingericht wij hadden ingericht jullie hadden ingericht zij hadden ingericht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal inrichten jij zult inrichten hij zal inrichten wij zullen inrichten jullie zullen inrichten zij zullen inrichten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ingericht hebben jij zult ingericht hebben hij zal ingericht hebben wij zullen ingericht hebben jullie zullen ingericht hebben zij zullen ingericht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou inrichten jij zou inrichten hij zou inrichten wij zouden inrichten jullie zouden inrichten zij zouden inrichten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ingericht hebben jij zou ingericht hebben hij zou ingericht hebben wij zouden ingericht hebben jullie zouden ingericht hebben zij zouden ingericht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
richt in
|