NL: inregenenEN: rain in, rain into
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ingeregend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik regen in jij regent in hij regent in wij regenen in jullie regenen in zij regenen in
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ingeregend jij hebt ingeregend hij heeft ingeregend wij hebben ingeregend jullie hebben ingeregend zij hebben ingeregend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik regende in jij regende in hij regende in wij regenden in jullie regenden in zij regenden in
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ingeregend jij had ingeregend hij had ingeregend wij hadden ingeregend jullie hadden ingeregend zij hadden ingeregend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal inregenen jij zult inregenen hij zal inregenen wij zullen inregenen jullie zullen inregenen zij zullen inregenen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ingeregend hebben jij zult ingeregend hebben hij zal ingeregend hebben wij zullen ingeregend hebben jullie zullen ingeregend hebben zij zullen ingeregend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou inregenen jij zou inregenen hij zou inregenen wij zouden inregenen jullie zouden inregenen zij zouden inregenen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ingeregend hebben jij zou ingeregend hebben hij zou ingeregend hebben wij zouden ingeregend hebben jullie zouden ingeregend hebben zij zouden ingeregend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
regen in
|