NL: inpolderenSynoniemen: droogleggen, indijken
EN: drain, impolder
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ingepolderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik polder in jij poldert in hij poldert in wij polderen in jullie polderen in zij polderen in
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ingepolderd jij hebt ingepolderd hij heeft ingepolderd wij hebben ingepolderd jullie hebben ingepolderd zij hebben ingepolderd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik polderde in jij polderde in hij polderde in wij polderden in jullie polderden in zij polderden in
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ingepolderd jij had ingepolderd hij had ingepolderd wij hadden ingepolderd jullie hadden ingepolderd zij hadden ingepolderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal inpolderen jij zult inpolderen hij zal inpolderen wij zullen inpolderen jullie zullen inpolderen zij zullen inpolderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ingepolderd hebben jij zult ingepolderd hebben hij zal ingepolderd hebben wij zullen ingepolderd hebben jullie zullen ingepolderd hebben zij zullen ingepolderd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou inpolderen jij zou inpolderen hij zou inpolderen wij zouden inpolderen jullie zouden inpolderen zij zouden inpolderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ingepolderd hebben jij zou ingepolderd hebben hij zou ingepolderd hebben wij zouden ingepolderd hebben jullie zouden ingepolderd hebben zij zouden ingepolderd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
polder in
|