NL: initiërenEN: initiate, start off, set
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïnitieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik initieer jij initieert hij initieert wij initiëren jullie initiëren zij initiëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïnitieerd jij hebt geïnitieerd hij heeft geïnitieerd wij hebben geïnitieerd jullie hebben geïnitieerd zij hebben geïnitieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik initieerde jij initieerde hij initieerde wij initieerden jullie initieerden zij initieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïnitieerd jij had geïnitieerd hij had geïnitieerd wij hadden geïnitieerd jullie hadden geïnitieerd zij hadden geïnitieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal initiëren jij zult initiëren hij zal initiëren wij zullen initiëren jullie zullen initiëren zij zullen initiëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïnitieerd hebben jij zult geïnitieerd hebben hij zal geïnitieerd hebben wij zullen geïnitieerd hebben jullie zullen geïnitieerd hebben zij zullen geïnitieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou initiëren jij zou initiëren hij zou initiëren wij zouden initiëren jullie zouden initiëren zij zouden initiëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïnitieerd hebben jij zou geïnitieerd hebben hij zou geïnitieerd hebben wij zouden geïnitieerd hebben jullie zouden geïnitieerd hebben zij zouden geïnitieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
initieer
|