FR: infester| Participe Passé |
|
infesté
|
| Indicatif Présent |
| ott, als in `ik ga` |
je infeste tu infestes il; elle infeste nous infestons vous infestez ils; elles infestent
|
| Indicatif Passé Composé |
| Passé composé = voltooid tegenwoordige tijd. Als in `ik ben gegaan`. Le passé composé wordt gebruikt voor alle op zichzelf staande feiten, nieuwe, éénmalige gebeurtenissen, alle afgesloten handelingen. |
j`ai infesté tu as infesté il; elle a infesté nous avons infesté vous avez infesté ils; elles ont infesté
|
| Indicatif Imparfait |
| ovt, als in `ik ging`. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was. |
j`infestais tu infestais il; elle infestait nous infestions vous infestiez ils; elles infestaient
|
| Indicatif Plus-Que-Parfait |
| Plus-que-parfait= voltooid verleden tijd. Als in `ik was gegaan` |
j`avais infesté tu avais infesté il; elle avait infesté nous avions infesté vous aviez infesté ils; elles avaient infesté
|
| Indicatif Passé Simple |
| vtt, als in `ik ging`. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
j`infestai tu infestas il; elle infesta nous infestâmes vous infestâtes ils; elles infestèrent
|
| Indicatif Passé Antérieur |
| vvtt, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`eus infesté tu eus infesté il; elle eut infesté nous eûmes infesté vous eûtes infesté ils; elles eurent infesté
|
| Indicatif Futur Simple |
| ottt, als in `ik zal gaan` |
j`infesterai tu infesteras il; elle infestera nous infesterons vous infesterez ils; elles infesteront
|
| Indicatif Futur Antérieur |
| vttt, als in `Ik zal gegaan zijn` |
j`aurai infesté tu auras infesté il; elle aura infesté nous aurons infesté vous aurez infesté ils; elles auront infesté
|
| Subjonctif Présent |
| Aanvoegende wijs, heden. Men gebruikt het subjonctif in een onderschikkende bijzin die begint met `que`, na werkwoorden die een gevoel weergeven: être content = blij zijn, être triste= bedroefd zijn |
j`infeste tu infestes il; elle infeste nous infestions vous infestiez ils; elles infestent
|
| Subjonctif Passé |
| Aanvoegende wijs, verleden. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`aie infesté tu aies infesté il; elle ait infesté nous ayons infesté vous ayez infesté ils; elles aient infesté
|
| Subjonctif Imparfait |
| Aanvoegende wijs. Vooral gebruikt in de schrijftaal. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was |
j`infestasse tu infestasses il; elle infestât nous infestassions vous infestassiez ils; elles infestassent
|
| Subjonctif Plus-Que-Parfait |
| Aanvoegende wijs, voltooid deelwoord. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`eusse infesté tu eusses infesté il; elle eût infesté nous eussions infesté vous eussiez infesté ils; elles eussent infesté
|
| Conditionnel Présent |
| ovtt. Met de conditionnel présent kan je een voorwaarde uitdrukken, als in `ik zou gaan` |
j`infesterais tu infesterais il; elle infesterait nous infesterions vous infesteriez ils; elles infesteraient
|
| Conditionnel Passé |
| vvtt. De conditionnel passé gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`aurais infesté tu aurais infesté il; elle aurait infesté nous aurions infesté vous auriez infesté ils; elles auraient infesté
|
| Impératif Présent |
| gebiedende wijs als in `Ga!` |
(tu) infeste, (nous) infestons (vous) infestez
|