NL: inbrekenSynoniemen: kraken, beroven
DE: inbreken (een inbraak doen): einbrechen
EN: inbreken (een inbraak doen): break in, break into a house, commit burglary, rob
ES: inbreken (een inbraak doen): entrar por fuerza, escalar, cometer un robo con fractura
FR: inbreken (een inbraak doen): cambrioler, dépouiller, dévaliser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
ingebroken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik breek in jij breekt in hij breekt in wij breken in jullie breken in zij breken in
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb ingebroken jij hebt ingebroken hij heeft ingebroken wij hebben ingebroken jullie hebben ingebroken zij hebben ingebroken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik brak in jij brak in hij brak in wij braken in jullie braken in zij braken in
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had ingebroken jij had ingebroken hij had ingebroken wij hadden ingebroken jullie hadden ingebroken zij hadden ingebroken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal inbreken jij zult inbreken hij zal inbreken wij zullen inbreken jullie zullen inbreken zij zullen inbreken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal ingebroken hebben jij zult ingebroken hebben hij zal ingebroken hebben wij zullen ingebroken hebben jullie zullen ingebroken hebben zij zullen ingebroken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou inbreken jij zou inbreken hij zou inbreken wij zouden inbreken jullie zouden inbreken zij zouden inbreken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou ingebroken hebben jij zou ingebroken hebben hij zou ingebroken hebben wij zouden ingebroken hebben jullie zouden ingebroken hebben zij zouden ingebroken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
breek in
|