NL: implicerenSynoniemen: betekenen
DE: implizieren
EN: implicate, imply
FR: impliquer
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïmpliceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik impliceer jij impliceert hij impliceert wij impliceren jullie impliceren zij impliceren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïmpliceerd jij hebt geïmpliceerd hij heeft geïmpliceerd wij hebben geïmpliceerd jullie hebben geïmpliceerd zij hebben geïmpliceerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik impliceerde jij impliceerde hij impliceerde wij impliceerden jullie impliceerden zij impliceerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïmpliceerd jij had geïmpliceerd hij had geïmpliceerd wij hadden geïmpliceerd jullie hadden geïmpliceerd zij hadden geïmpliceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal impliceren jij zult impliceren hij zal impliceren wij zullen impliceren jullie zullen impliceren zij zullen impliceren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïmpliceerd hebben jij zult geïmpliceerd hebben hij zal geïmpliceerd hebben wij zullen geïmpliceerd hebben jullie zullen geïmpliceerd hebben zij zullen geïmpliceerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou impliceren jij zou impliceren hij zou impliceren wij zouden impliceren jullie zouden impliceren zij zouden impliceren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïmpliceerd hebben jij zou geïmpliceerd hebben hij zou geïmpliceerd hebben wij zouden geïmpliceerd hebben jullie zouden geïmpliceerd hebben zij zouden geïmpliceerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
impliceer
|