NL: implanterenSynoniemen: inplanten
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïmplanteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik implanteer jij implanteert hij implanteert wij implanteren jullie implanteren zij implanteren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïmplanteerd jij hebt geïmplanteerd hij heeft geïmplanteerd wij hebben geïmplanteerd jullie hebben geïmplanteerd zij hebben geïmplanteerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik implanteerde jij implanteerde hij implanteerde wij implanteerden jullie implanteerden zij implanteerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïmplanteerd jij had geïmplanteerd hij had geïmplanteerd wij hadden geïmplanteerd jullie hadden geïmplanteerd zij hadden geïmplanteerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal implanteren jij zult implanteren hij zal implanteren wij zullen implanteren jullie zullen implanteren zij zullen implanteren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïmplanteerd hebben jij zult geïmplanteerd hebben hij zal geïmplanteerd hebben wij zullen geïmplanteerd hebben jullie zullen geïmplanteerd hebben zij zullen geïmplanteerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou implanteren jij zou implanteren hij zou implanteren wij zouden implanteren jullie zouden implanteren zij zouden implanteren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïmplanteerd hebben jij zou geïmplanteerd hebben hij zou geïmplanteerd hebben wij zouden geïmplanteerd hebben jullie zouden geïmplanteerd hebben zij zouden geïmplanteerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
implanteer
|