FR: impatienter| Participe Passé |
|
impatienté
|
| Indicatif Présent |
| ott, als in `ik ga` |
je impatiente tu impatientes il; elle impatiente nous impatientons vous impatientez ils; elles impatientent
|
| Indicatif Passé Composé |
| Passé composé = voltooid tegenwoordige tijd. Als in `ik ben gegaan`. Le passé composé wordt gebruikt voor alle op zichzelf staande feiten, nieuwe, éénmalige gebeurtenissen, alle afgesloten handelingen. |
j`ai impatienté tu as impatienté il; elle a impatienté nous avons impatienté vous avez impatienté ils; elles ont impatienté
|
| Indicatif Imparfait |
| ovt, als in `ik ging`. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was. |
j`impatientais tu impatientais il; elle impatientait nous impatientions vous impatientiez ils; elles impatientaient
|
| Indicatif Plus-Que-Parfait |
| Plus-que-parfait= voltooid verleden tijd. Als in `ik was gegaan` |
j`avais impatienté tu avais impatienté il; elle avait impatienté nous avions impatienté vous aviez impatienté ils; elles avaient impatienté
|
| Indicatif Passé Simple |
| vtt, als in `ik ging`. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
j`impatientai tu impatientas il; elle impatienta nous impatientâmes vous impatientâtes ils; elles impatientèrent
|
| Indicatif Passé Antérieur |
| vvtt, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`eus impatienté tu eus impatienté il; elle eut impatienté nous eûmes impatienté vous eûtes impatienté ils; elles eurent impatienté
|
| Indicatif Futur Simple |
| ottt, als in `ik zal gaan` |
j`impatienterai tu impatienteras il; elle impatientera nous impatienterons vous impatienterez ils; elles impatienteront
|
| Indicatif Futur Antérieur |
| vttt, als in `Ik zal gegaan zijn` |
j`aurai impatienté tu auras impatienté il; elle aura impatienté nous aurons impatienté vous aurez impatienté ils; elles auront impatienté
|
| Subjonctif Présent |
| Aanvoegende wijs, heden. Men gebruikt het subjonctif in een onderschikkende bijzin die begint met `que`, na werkwoorden die een gevoel weergeven: être content = blij zijn, être triste= bedroefd zijn |
j`impatiente tu impatientes il; elle impatiente nous impatientions vous impatientiez ils; elles impatientent
|
| Subjonctif Passé |
| Aanvoegende wijs, verleden. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`aie impatienté tu aies impatienté il; elle ait impatienté nous ayons impatienté vous ayez impatienté ils; elles aient impatienté
|
| Subjonctif Imparfait |
| Aanvoegende wijs. Vooral gebruikt in de schrijftaal. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was |
j`impatientasse tu impatientasses il; elle impatientât nous impatientassions vous impatientassiez ils; elles impatientassent
|
| Subjonctif Plus-Que-Parfait |
| Aanvoegende wijs, voltooid deelwoord. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`eusse impatienté tu eusses impatienté il; elle eût impatienté nous eussions impatienté vous eussiez impatienté ils; elles eussent impatienté
|
| Conditionnel Présent |
| ovtt. Met de conditionnel présent kan je een voorwaarde uitdrukken, als in `ik zou gaan` |
j`impatienterais tu impatienterais il; elle impatienterait nous impatienterions vous impatienteriez ils; elles impatienteraient
|
| Conditionnel Passé |
| vvtt. De conditionnel passé gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`aurais impatienté tu aurais impatienté il; elle aurait impatienté nous aurions impatienté vous auriez impatienté ils; elles auraient impatienté
|
| Impératif Présent |
| gebiedende wijs als in `Ga!` |
(tu) impatiente, (nous) impatientons (vous) impatientez
|