| Vervoegen: immuniseren |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| geïmmuniseerd |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik immuniseer jij immuniseert hij immuniseert wij immuniseren jullie immuniseren zij immuniseren |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb geïmmuniseerd jij hebt geïmmuniseerd hij heeft geïmmuniseerd wij hebben geïmmuniseerd jullie hebben geïmmuniseerd zij hebben geïmmuniseerd |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik immuniseerde jij immuniseerde hij immuniseerde wij immuniseerden jullie immuniseerden zij immuniseerden |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had geïmmuniseerd jij had geïmmuniseerd hij had geïmmuniseerd wij hadden geïmmuniseerd jullie hadden geïmmuniseerd zij hadden geïmmuniseerd |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal immuniseren jij zult immuniseren hij zal immuniseren wij zullen immuniseren jullie zullen immuniseren zij zullen immuniseren |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal geïmmuniseerd hebben jij zult geïmmuniseerd hebben hij zal geïmmuniseerd hebben wij zullen geïmmuniseerd hebben jullie zullen geïmmuniseerd hebben zij zullen geïmmuniseerd hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou immuniseren jij zou immuniseren hij zou immuniseren wij zouden immuniseren jullie zouden immuniseren zij zouden immuniseren |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou geïmmuniseerd hebben jij zou geïmmuniseerd hebben hij zou geïmmuniseerd hebben wij zouden geïmmuniseerd hebben jullie zouden geïmmuniseerd hebben zij zouden geïmmuniseerd hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| immuniseer |