NL: immatriculeren U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geïmmatriculeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik immatriculeer jij immatriculeert hij immatriculeert wij immatriculeren jullie immatriculeren zij immatriculeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geïmmatriculeerd jij hebt geïmmatriculeerd hij heeft geïmmatriculeerd wij hebben geïmmatriculeerd jullie hebben geïmmatriculeerd zij hebben geïmmatriculeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik immatriculeerde jij immatriculeerde hij immatriculeerde wij immatriculeerden jullie immatriculeerden zij immatriculeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geïmmatriculeerd jij had geïmmatriculeerd hij had geïmmatriculeerd wij hadden geïmmatriculeerd jullie hadden geïmmatriculeerd zij hadden geïmmatriculeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal immatriculeren jij zult immatriculeren hij zal immatriculeren wij zullen immatriculeren jullie zullen immatriculeren zij zullen immatriculeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geïmmatriculeerd hebben jij zult geïmmatriculeerd hebben hij zal geïmmatriculeerd hebben wij zullen geïmmatriculeerd hebben jullie zullen geïmmatriculeerd hebben zij zullen geïmmatriculeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou immatriculeren jij zou immatriculeren hij zou immatriculeren wij zouden immatriculeren jullie zouden immatriculeren zij zouden immatriculeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geïmmatriculeerd hebben jij zou geïmmatriculeerd hebben hij zou geïmmatriculeerd hebben wij zouden geïmmatriculeerd hebben jullie zouden geïmmatriculeerd hebben zij zouden geïmmatriculeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
immatriculeer
|