NL: ijzelenDE: gefrieren
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geijzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ijzel jij ijzelt hij ijzelt wij ijzelen jullie ijzelen zij ijzelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geijzeld jij hebt geijzeld hij heeft geijzeld wij hebben geijzeld jullie hebben geijzeld zij hebben geijzeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ijzelde jij ijzelde hij ijzelde wij ijzelden jullie ijzelden zij ijzelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geijzeld jij had geijzeld hij had geijzeld wij hadden geijzeld jullie hadden geijzeld zij hadden geijzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ijzelen jij zult ijzelen hij zal ijzelen wij zullen ijzelen jullie zullen ijzelen zij zullen ijzelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geijzeld hebben jij zult geijzeld hebben hij zal geijzeld hebben wij zullen geijzeld hebben jullie zullen geijzeld hebben zij zullen geijzeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ijzelen jij zou ijzelen hij zou ijzelen wij zouden ijzelen jullie zouden ijzelen zij zouden ijzelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geijzeld hebben jij zou geijzeld hebben hij zou geijzeld hebben wij zouden geijzeld hebben jullie zouden geijzeld hebben zij zouden geijzeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ijzel
|