NL: huldigenSynoniemen: ovatie brengen
DE: ehren, in Ehren halten, feiern, jmdm¨ seine Huld erweisen, verehren, Ehre erweisen, Ehre machen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gehuldigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik huldig jij huldigt hij huldigt wij huldigen jullie huldigen zij huldigen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben gehuldigd jij bent gehuldigd hij is gehuldigd wij zijn gehuldigd jullie zijn gehuldigd zij zijn gehuldigd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik huldigde jij huldigde hij huldigde wij huldigden jullie huldigden zij huldigden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was gehuldigd jij was gehuldigd hij was gehuldigd wij waren gehuldigd jullie waren gehuldigd zij waren gehuldigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal huldigen jij zult huldigen hij zal huldigen wij zullen huldigen jullie zullen huldigen zij zullen huldigen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gehuldigd zijn jij zult gehuldigd zijn hij zal gehuldigd zijn wij zullen gehuldigd zijn jullie zullen gehuldigd zijn zij zullen gehuldigd zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou huldigen jij zou huldigen hij zou huldigen wij zouden huldigen jullie zouden huldigen zij zouden huldigen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gehuldigd zijn jij zou gehuldigd zijn hij zou gehuldigd zijn wij zouden gehuldigd zijn jullie zouden gehuldigd zijn zij zouden gehuldigd zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
huldig
|
DE: huldigenSynoniemen: ehren, in Ehren halten, feiern, jmdm¨ seine Huld erweisen, verehren, Ehre erweisen, Ehre machen
NL: ovatie brengen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gehuldigt huldigend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich huldige du huldigst er huldigt wir huldigen ihr huldigt sie; Sie huldigen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gehuldigt du hast gehuldigt er hat gehuldigt wir haben gehuldigt ihr habt gehuldigt sie; Sie haben gehuldigt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich huldigte du huldigtest er huldigte wir huldigten ihr huldigtet sie; Sie huldigten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gehuldigt du hattest gehuldigt er hatte gehuldigt wir hatten gehuldigt ihr hattet gehuldigt sie; Sie hatten gehuldigt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde huldigen du wirst huldigen er wird huldigen wir werden huldigen ihr werdet huldigen sie; Sie werden huldigen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gehuldigt haben du wirst gehuldigt haben er wird gehuldigt haben wir werden gehuldigt haben ihr werdet gehuldigt haben sie; Sie werden gehuldigt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich huldige du huldigest er huldige wir huldigen ihr huldiget sie; Sie huldigen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gehuldigt du habest gehuldigt er habe gehuldigt wir haben gehuldigt ihr habet gehuldigt sie; Sie haben gehuldigt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich huldigte du huldigtest er huldigte wir huldigten ihr huldigtet sie; Sie huldigten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gehuldigt du hättest gehuldigt er hätte gehuldigt wir hätten gehuldigt ihr hättet gehuldigt sie; Sie hätten gehuldigt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde huldigen du würdest huldigen er würde huldigen wir würden huldigen ihr würdet huldigen sie; Sie würden huldigen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gehuldigt haben du würdest gehuldigt haben er würde gehuldigt haben wir würden gehuldigt haben ihr würdet gehuldigt haben sie; Sie würden gehuldigt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du huldige
|