NL: hortenSynoniemen: horten (auf die Seite legen): potten, opzij leggen, oppotten, hamsteren
DE: sparen, ersparen, auf die hohe Kante legen, auf die Seite legen, hamstern, zurücklegen, zusammensparen, sparen, ersparen, auf die hohe Kante legen, auf die Seite legen, hamstern, zurücklegen, zusammensparen
EN: horten (auf die Seite legen): pot, hoard, store
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gehort
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hort jij hort hij hort wij horten jullie horten zij horten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gehort jij hebt gehort hij heeft gehort wij hebben gehort jullie hebben gehort zij hebben gehort
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hortte jij hortte hij hortte wij hortten jullie hortten zij hortten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gehort jij had gehort hij had gehort wij hadden gehort jullie hadden gehort zij hadden gehort
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal horten jij zult horten hij zal horten wij zullen horten jullie zullen horten zij zullen horten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gehort hebben jij zult gehort hebben hij zal gehort hebben wij zullen gehort hebben jullie zullen gehort hebben zij zullen gehort hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou horten jij zou horten hij zou horten wij zouden horten jullie zouden horten zij zouden horten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gehort hebben jij zou gehort hebben hij zou gehort hebben wij zouden gehort hebben jullie zouden gehort hebben zij zouden gehort hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hort
|
DE: hortenSynoniemen: sparen, ersparen, auf die hohe Kante legen, auf die Seite legen, hamstern, zurücklegen, zusammensparen, sparen, ersparen, auf die hohe Kante legen, auf die Seite legen, hamstern, zurücklegen, zusammensparen
NL: horten (auf die Seite legen): potten, opzij leggen, oppotten, hamsteren
EN: horten (auf die Seite legen): pot, hoard, store
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gehortet hortend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich horte du hortest er hortet wir horten ihr hortet sie; Sie horten
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bin gehortet du hast gehortet er hat gehortet wir haben gehortet ihr habt gehortet sie; Sie haben gehortet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hortete du hortetest er hortete wir horteten ihr hortetet sie; Sie horteten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich war gehortet du hattest gehortet er hatte gehortet wir hatten gehortet ihr hattet gehortet sie; Sie hatten gehortet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde horten du wirst horten er wird horten wir werden horten ihr werdet horten sie; Sie werden horten
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gehortet sein du wirst gehortet haben er wird gehortet haben wir werden gehortet haben ihr werdet gehortet haben sie; Sie werden gehortet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich horte du hortest er horte wir horten ihr hortet sie; Sie horten
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich sei gehortet du habest gehortet er habe gehortet wir haben gehortet ihr habet gehortet sie; Sie haben gehortet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hortete du hortetest er hortete wir horteten ihr hortetet sie; Sie horteten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gehortet du hättest gehortet er hätte gehortet wir hätten gehortet ihr hättet gehortet sie; Sie hätten gehortet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde horten du würdest horten er würde horten wir würden horten ihr würdet horten sie; Sie würden horten
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gehortet sein du würdest gehortet haben er würde gehortet haben wir würden gehortet haben ihr würdet gehortet haben sie; Sie würden gehortet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du horte
|