NL: hinkenDE: lahm gehen, lahmen, ein Bein nachziehen, humpeln, lahm sein, mühsam gehen, schlecht zu Fuß sein, stolpern
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gehinkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hink jij hinkt hij hinkt wij hinken jullie hinken zij hinken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gehinkt jij hebt gehinkt hij heeft gehinkt wij hebben gehinkt jullie hebben gehinkt zij hebben gehinkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hinkte jij hinkte hij hinkte wij hinkten jullie hinkten zij hinkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gehinkt jij had gehinkt hij had gehinkt wij hadden gehinkt jullie hadden gehinkt zij hadden gehinkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal hinken jij zult hinken hij zal hinken wij zullen hinken jullie zullen hinken zij zullen hinken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gehinkt hebben jij zult gehinkt hebben hij zal gehinkt hebben wij zullen gehinkt hebben jullie zullen gehinkt hebben zij zullen gehinkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou hinken jij zou hinken hij zou hinken wij zouden hinken jullie zouden hinken zij zouden hinken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gehinkt hebben jij zou gehinkt hebben hij zou gehinkt hebben wij zouden gehinkt hebben jullie zouden gehinkt hebben zij zouden gehinkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hink
|
DE: hinkenSynoniemen: lahm gehen, lahmen, ein Bein nachziehen, humpeln, lahm sein, mühsam gehen, schlecht zu Fuß sein, stolpern
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gehinkt hinkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hinke du hinkst er hinkt wir hinken ihr hinkt sie; Sie hinken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gehinkt du hast gehinkt er hat gehinkt wir haben gehinkt ihr habt gehinkt sie; Sie haben gehinkt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hinkte du hinktest er hinkte wir hinkten ihr hinktet sie; Sie hinkten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gehinkt du hattest gehinkt er hatte gehinkt wir hatten gehinkt ihr hattet gehinkt sie; Sie hatten gehinkt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde hinken du wirst hinken er wird hinken wir werden hinken ihr werdet hinken sie; Sie werden hinken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gehinkt haben du wirst gehinkt haben er wird gehinkt haben wir werden gehinkt haben ihr werdet gehinkt haben sie; Sie werden gehinkt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hinke du hinkest er hinke wir hinken ihr hinket sie; Sie hinken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gehinkt du habest gehinkt er habe gehinkt wir haben gehinkt ihr habet gehinkt sie; Sie haben gehinkt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hinkte du hinktest er hinkte wir hinkten ihr hinktet sie; Sie hinkten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gehinkt du hättest gehinkt er hätte gehinkt wir hätten gehinkt ihr hättet gehinkt sie; Sie hätten gehinkt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde hinken du würdest hinken er würde hinken wir würden hinken ihr würdet hinken sie; Sie würden hinken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gehinkt haben du würdest gehinkt haben er würde gehinkt haben wir würden gehinkt haben ihr würdet gehinkt haben sie; Sie würden gehinkt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du hinke
|